Terug naar Tijdsbeeld       Terug naar Geschiedenis Familie Hekman  
 
G r o n i n g e r     s c h i p p e r s
(Klik op foto voor vergroting)

Het leven van een Groninger schipper in de 19e eeuw

Uit: Als de dag van gisteren: Honderd jaar Groningers

Het leven van een schipper en zijn gezin speelde zich af aan boord van zijn schip. Niet zelden verbleven ze met acht tot twaalf personen in het achteronder. "In een ruimte die op het land zelfs als woning van één mens zou worden afgekeurd, leeft daar een hele familie, slaapt er, kookt er, vertoeft er met slecht weer de hele dag, moet er alle huiselijke bezigheden verrichten…..", aldus het verslag van een staatscommissie, naar aanleiding van veel binnengekomen klachten.

Hier kwamen de schippers vanaf het Winschoterdiep dus vaak de Oosterhaven van de stad Groningen binnen.

Aquarel door W. Dingemans, gemaakt in 1902.

Op de vraag hoe dat mogelijk was, antwoordde de schipper: "Het ging gewoon .. hoe anders ?" Zelf vaak afkomstig uit een schippersfamilie, waren de schipper en zijn vrouw gewend aan de kleine ruimte. Veel persoonlijke spullen had men niet en de woonruimte was efficiënt ingedeeld. Hoe groter de schepen, hoe ruimer het achteronder. Het moest echter een grote tjalk zijn, waar het achteronder twee meter lang, drie meter breed en één meter tachtig hoog was.
Aan alle zijden van het scheepsachteronder waren langs de rondingen van het schip kastjes, zitbanken en bedsteden getimmerd. Achter onder het luik, de enige toegang tot de woonruimte, was een zogenaamde stapbank aangebracht die zowel tot zitplaats, tot bergplaats als tot opstap voor de uitgang door het luik dienst deed.
Een koekoek zorgde voor de lichtinval en ventilatie. Bij regenachtig weer moest het luik worden gesloten en liet de luchtverversing te wensen over. Licht kwam verder alleen binnen via twee kleine poortjes in de kont van het schip.
Men leefde aan dek, en alleen bij slecht weer, als men gedwongen was onderin te wonen, was het logies te klein. Zowel aan stuurboord als aan bakboord bevonden zich vrij ruime kastjes, kabinetjes genaamd. Midden tegen de wand met het ruim stond de kachel. Aan de ene zijde daarvan bevond zich de bedstede voor de schipper en zijn vrouw. Aan de andere zijde was de doorgang naar het ruim, waar ook de tweede slaapplaats, de kinderkooi, was te vinden. De kinderen sliepen soms met opgetrokken knieën en met meerdere bij elkaar.
Veel comfort was er niet aanwezig, maar de schipper klaagde daarover niet en noemde zijn achterondertje een zeer gezellig tehuis.

Een echte Groningse schippersvrouw stond haar mannetje. Als 'schipperske' was ze aan boord van alle markten thuis. Tussen de bedrijven door bestierde ze het huishouden en kookte ze het eten. Ze was huisvrouw, moeder en bemanningslid tegelijk.
Maar dat niet alleen ! Schippers die niet al te ruim bij kas waren, konden zich de weelde van een scheepsjager niet veroorloven. In plaats van de magere knol van de 'ridder met de lange lijn' ging moeder de vrouw in het zeel. "Wel zien wief laif het, holt heur veur ogen", zei de schipper en "…. lait heur in de liene lopen !".

Een scheepsjager op het jaagpad langs het Winschoterdiep

Honderd jaar geleden (rond 1900) waren stoomschepen nog uitzondering. Er werd gevaren met pramen, bolschepen en tjalken. Menige schipper had een huisje aan wal. Herkenbaar was hij aan zijn schipperspet en zijn jekker.


Langs de vaarwegen waren heel wat cafés te vinden, waar de schippers graag gebruik van maakten. Jan Hekman lustte er ook wel eentje, naar men zegt.

De bolpraam is een open vaartuig zonder mast en zonder gangboord en met een klein roefje

Veel schepen waren turfschepen. Als huisbrand en als energiebron in de fabrieken was turf onmisbaar.
De houten schepen vergden veel onderhoud en wilden wel eens lekken. Veel werven hadden tevens een reparatiehelling. Gedurende de hellingperiode woonde de schipper met zijn gezin in het zogenaamde schippershuisje op de werf. Van zijn inkomsten, die de schipper als kleine zelfstandige verdiende met vrachtvervoer, moest hij geld uitsparen voor de onderhoudsbeurt op de helling.
Tegen het einde van de 19e eeuw schakelden de meeste werven waar binnenschepen werden gebouwd over van houtbouw op ijzer en staal. Bij de overgang naar ijzerbouw bleef het tjalkmodel echter behouden.
De tjalk met roef, de 'gewone' tjalk, wordt algemeen beschouwd als het binnenschip bij uitstek. Opvallend zijn het stoere uiterlijk, de kromme voorsteven en de fraaie ronde kop en kont.


Kop van een Groninger tjalk; let op de brede huidplaten

De Groninger tjalken waren getuigd met één mast, met een grootzeil met lange rechte gaffel, een fok en veelal een kluiver.Door de lange top waren de Groningse 'langtoppers' al van verre te herkennen


Muziek: A tale of distant Land van Schumann