Terug  
 

Onze afstamming van Karel de Grote

 
 
Het is niet met zekerheid na te gaan, maar met een aan zekerheid grenzende graad van waarschijnlijkheid kan ik als autochtone Europeaan zeggen dat Karel de Grote tot één van mijn voorouders behoort.
Dat is tenminste de conclusie die slimme jongens na enig nadenken trekken (artikel: Wiskundige voorouders van Jan Moree, Pieter Moree en Lars Roobol in NAW 5/2, 2 juni 2001).
Een conclusie die anderen overigens “een bewering van genealogen” noemen.
De redenering is als volgt:
Ieder heeft 2 ouders, 4 grootouders, 8 overgrootouders enz. Per generatie verdubbelt het aantal. Dat zou inhouden dat er in het jaar 800 meer dan 2 tot de macht 40 voorouders moeten hebben rondgelopen. Dat zijn dus vele miljarden. Maar de hoogste schatting van de Europese bevolking in het jaar 800 is ongeveer 40 miljoen. Dit wordt wel de ‘paradox van de genealogie’ genoemd.
De oplossing van deze paradox moet zijn: inteelt.
Er zijn in de loop der tijden veel huwelijken gesloten tussen personen die op een af andere manier aan elkaar verwant waren. De kans dat de autochtone Europeaan Karel de Grote daardoor tot zijn voorvader heeft kan daarom heel wel op 1 gesteld worden.
Leuk om te weten.

Er bestaat dus een kansje dat we nog een leuke (of minder leuke) eigenschap van hem geërfd hebben.
Daarom nu een citaat uit “Karel de Grote, vader van Europa” door Rudolph Wahl, en wel uit het hoofdstuk “Karel de Grote als mens”, pag. 112-113:  
 
 

Boven allen steekt koning Karel met zijn hoge schouders uit, zeiden de mensen wanneer zij hem zochten in het gedrang van het volk, want alleen door zijn majesteitelijke verschijning onderscheidde hij zich van de gewone man. Omdat hij niets wilde weten van buitenlandse kleding, al was die ook nog zo mooi droeg hij steeds de Frankische volksdracht: wambuis en broek, leren schoenriemen, die om de benen werden gewikkeld, eenvoudige laarzen en een zeegroene jas. Alleen bij bijzondere gelegenheden, wanneer hij representtieve plichten moest vervullen, hulde hij zich feestelijk in met goud bestikte gewaden, op het hoofd de koningskroon, die schitterde van de edelstenen.
Hij was bijna twee meter lang, breedgebouwd en met een stevig lichaam; zijn ronde hoofd met het dikke, donkere haar werd gedragen door een brede stierenek. Hij maakte de indruk van een wat logge kolos, maar hij was de beste zwemmer van het hof en een uitstekend ruiter. Zijn grote verstandige ogen konden schitteren als karbonkels. Zijn neus was iets aan de lange kant, zijn mond krachtig en bedekt door een korte, afhangende, donkere snor – alles aan hem verried levenslust en vreugde, maar … dit oerbeeld van kracht had een schraal kinderstemmetje.
In de vroege ochtend begaf hij zich in nachtgewaad naar de kerk. Daarna kleedde hij zich aan en gaf tussendoor richtlijnen voor de dagindeling. Ook liet hij dan de mensen binnen die hun recht kwamen zoeken. In zijn hemd sprak hij tot hen zijn oordeel uit, onherroepelijk, als zat hij op de rechterstoel.
Hij beschikte over een ongelooflijke lichaamskracht; er werd beweerd dat hij een soldaat in volle wapenrusting met één hand kon optillen. Ook kon hij met zijn handen vier hoefijzers tegelijk ombuigen. Op reis was geen inspanning hem te veel en hij hield niet in het minst rekening met zijn gezelschap. Als het moest was hij dag en nacht, zonder slaap, onderweg. Zoëven nog in Italië, verscheen hij direct daarna aan de Rijn en even later weer in de Pyreneeën. Maar als hij rustte, bleef hij de hele middag doorslapen.
Hij beheerste het Latijn volkomen, de omgangstaal van de ‘beschaafde kringen’, zoals het Frans dat was tijdens Frederik de Grote. Maar hij sprak bijna uitsluitend in zijn landstaal, dat wil zeggen zijn Duitse moedertaal, waarvan hij hield. Hij was geboeid door de systematiek van het Latijn en hij probeerde een soort Duitse grammatica samen te stellen. Hij streed tegen het gebruik van vreemde woorden en gaf de maanden waarvan bij de Franken tot dan toe de Latijnse of barbaarse namen in gebruik waren, nieuwe namen, zoals Sprokkelmaand, Bloeimaand, Wintermaand. Deze volkskoning, zonder iedere vorm van pathos, bleef altijd een beetje boers en ruig en had een onfeilbaar gevoel voor rechtvaardigheid. Deze kolos had een zachte, allesdoordringende geest en een altijd waakzame intelligentie. Hij kon fantastische denkbeelden uitwerken en die logisch met elkaar verbinden. Fantasie en logica, de beide eeuwige tegenstellingen, die van de mens een dweper of een waanwijze kunnen maken, werkten bij Karel in volmaakte harmonie samen en verleenden hem een twee dimensionale eenheid, die het geheim is van deze verschijning vol tegenstrijdigheden. Zijn geweldige krachtsontplooiing is nooit grof, maar staat steeds in dienst van een verheven gedachte. Al zijn activiteiten getuigen van zijn bekwaamheid speelruimte te creëren voor een tweeledig doel, maar zijn krachtige impulsiviteit wordt steeds weer opgevangen door een zorgvuldige systematiek en zijn verheven ideeën rusten op de pijlers der logica . . . . .

Aldus Einhard, de biograaf van Karel de Grote. (Vita Caroli Magni, ca. 820).
Mogelijk overdreef hij in zijn bewondering voor de grote Karel een beetje, maar misschien is er hier en daar een glimp van herkenning ?