Terug naar Tijdsbeeld       Terug naar Marten Buitenweg  
 
T i j d s b e e l d
(Klik op foto voor vergroting)  

Scheepsbouw in de VeenkoloniŽn

Zeetjalk

De turf uit de provincie Groningen werd voor een groot deel afgezet buiten de provincie Groningen en toen de turfschippers met tjalken gingen varen, werden hun reizen groter en groter. Al gauw waagde men zich de Zuiderzee over, om turf te gaan verkopen in de Hollandse steden. Noordduitse havens vormden vooral voor de Pekelder turfschippers ook al geen vreemde bestemming.

Een goed schipper vaart maar node leeg terug en als het enigszins kon, zorgde men voor retourvracht, stukgoederen of bijvoorbeeld hout. Noorse kromhouten uit Hamburg, die dan in de VeenkoloniŽn werden gebruikt voor de bouw van steeds meer schepen. Gaandeweg ontstond zo een belangrijke vrachtvaart en werden de schepen ook wat groter.
Naast de tjalken kwamen de koffen in gebruik. Een goed jaar hadden de schippers in 1758, toen na een strenge winter heel wat turven uit de VeenkoloniŽn hun weg vonden naar de plaatsen aan de Duitse Elbe.

Langer en langer werden de reizen. Volgens de annalen maakte schipper Barend Stoffers van Pekela in 1798 de eerste reis naar St.Petersburg en andere veenkoloniale schippers volgden dit voorbeeld al gauw. Nog vindt men in het Veenkoloniaal Museum in Veendam voorwerpen die herinneren aan de vrij nauwe contacten die er bestaan hebben met Russische havens.
In de VeenkoloniŽn ontstond een belangrijke zeemansstand, eigenlijk een tamelijk gesloten stand, waarin men veelvuldig onder elkaar huwde. Een stand ook met bijzondere kenmerken. In de VeenkoloniŽn gaf dit het aanzijn aan tal van scheepswerven en aanverwante bedrijven: houtzagerijen, mast-, blok- en zeilmakerijen, touwslagerijen. Op een aantal punten moet het vaak gedaverd hebben van de hamerslagen op de - toen nog uitsluitend houten ! Ė schepen.

De eerste buitenvaarder werd in Veendam reeds in 1765 tewatergelaten op een scheepswerf, die toen bestond aan het Westerdiep achter de Kerkstraat. Feitelijk waren het slechts nietige hulken, waarmee de Veenkoloniale schippers zich soms op de woeste zee waagden. Het aantal slachtoffers van de zee was dan ook groot Ö. Menigmaal wachtte een achtergebleven schippersvrouw in de VeenkoloniŽn in angst en vreze de komst van een bericht af. Als dat bericht dan kwam, kon het opluchting betekenen, maar ook Ö. diepe rouw.

De wilde vrachtvaart gaf in de VeenkoloniŽn ook het aanzijn aan tal van rederijen, die dikwijls door middel van een soort aandelen de nodige gelden wisten aan te trekken voor het in de vaart brengen van steeds meer schepen. Tot in Westerwolde waren er landbouwers, die aandelen bezaten in een schip. Het waren bepaald niet de boeren, het waren de schippers, die in die dagen de toon aangaven in de VeenkoloniŽn

.
Tijdens de Franse tijd kregen de schippers het zwaar te verduren. In 1798 door de Engelse blokkade, daarna door het Continentale stelsel. Na de Franse tijd herstelde de zeemansstand zich weer. Een tijdperk van nieuwe bloei brak aan.
Veenkoloniale zeevaarders zwierven welhaast over de hele aardbol. Dit heeft een zeer nadrukkelijk stempel op de samenleving gezet, ook in cultureel opzicht. Het werkte zeer blikverruimend. Er werd ook een zeevaartschool opgericht.

                     


Schoenerbrik "Willem", geschilderd in de Golf van Napels, Ī1855
Toen stoom de intrede deed en de ijzeren schepen kwamen, begon de achteruitgang.
Omstreeks 1890 was er bijna geen rederij meer.


Muziek: "A Tale of Distant Land" van Schumann