Terug naar Vegtersfamilie  
 
* * * * * * *  
 

Oprit naar verval

Verhaal van Ate Vegter

Mijn vader kwam altijd met van alles thuis. Hij begon er mee in de oorlog, toen hij als vertegenwoordiger al veel langs de weg zat. Hij werd een keer aangehouden door een politieagent die hij persoonlijk kende en die hem vroeg wat er in de kofferbak zat. ‘Allemaal doodskoppen, wil je er ook een?' antwoordde mijn vader. De agent grinnikte wat en gebaarde hem door te rijden. Terwijl mijn vader langzaam wegreed zei hij nog: ‘Als ik je vertel dat er allemaal koffie in zit geloof je het toch ook niet.' De agent lachte nu voluit en zwaaide hem na; zoveel koffie, dat bestond immers niet. De kofferbak zat vol met koffie die mijn vader vlak daarvoor op de kop getikt had. In de jaren daarna heeft hij zijn gave om iets op te duikelen verder ontwikkeld. Schilderijen, klokken, ouwe bromfietsen, dozen met servies, een opgezette leguaan, een viool waarmee ik grote orkesten aanvoerde op de slaapkamer van mijn ouders, een gitaar waarmee mijn broer de harten van jonge meisjes veroverde, je kon het zo gek niet bedenken, hij sleepte het overal vandaan. Jarenlang aten we van de loodzware borden van Hotel de Keizerskroon, vlak bij Paleis het Loo, die hij ooit uit de inboedel van dit hotel opkocht. Het waren dikke, sterke borden, die al het andere, recenter gekochte servies, overleefden. We aten er broodpap, havermout, brinta, soep en wat er verder op tafel kwam uit. Ik kon ze maar met moeite kapot gooien.  
 
Ooit kocht hij een goudkleurige pendule met een glazen stolp en vier ronddraaiende balletjes bij wijze van slinger. Lelijk als de nacht, behalve voor wie hem mooi vond, zoals mijn vader. Mijn zusje heeft hem in opdracht van mijn moeder wel vier keer teruggebracht naar de juwelier, waarna mijn vader hem steeds weer ophaalde. Het overleg tussen mijn ouders verliep wel vaker via de kinderen: Hij moest en zou die klok hebben. Op het laatst gaf mijn moeder het maar op en mocht de klok blijven, maar mijn zusje heeft er altijd een bloedhekel aan gehad. Mijn vader was er in mijn herinnering altijd mee bezig: de klok moest zeer precies waterpas staan, anders liep hij niet meer, wat mijn moeder dan als een stille triomf beschouwde.  
 
De schilderijen die mijn vader kocht hadden vaak een vleugje hoop met een sombere ondertoon: een prachtig havengezicht, een kar met paard in de bossen, zo donker geschilderd dat je bijna niet kon ziet of de kar naar je toe of juist van je af reed. Als ik heel goed keek zag ik de karrensporen in de sneeuw en dan wist ik weer dat de kar wegreed. Dat vond ik wel fascinerend. Ik vond het geen mooi schilderij, maar keek er graag naar. Verder een oude man met baard, waar mijn vader al ouder wordend steeds meer op ging lijken. En een reusachtige koe, die niet erg fraai geschilderd was, dikke klodders en ruige streken, maar mijn vader kende de schilder goed en daardoor leek het net of wij in artistieke kringen verkeerden, wat natuurlijk niet zo was.  
 
De garage was voor zover ik mij kan herinneren altijd al oud, vervallen en afgeladen vol. Er stonden kasten en kastjes, oude beddenspiralen, een afgedankt dressoir en vanaf het begin oude brommers: berini's en solexen, die het ooit gedaan moesten hebben. Achterin was een plank over de hele breedte van de garage, waar allemaal dingen op stonden waar je volgens mijn vader altijd nog wel wat aan had, maar op den duur kon niemand er meer bij. Hij scharrelde altijd van alles bij elkaar. Soms haalde hij het gewoon bij de vuilnisbak vandaan, maar hij was ook niet te beroerd om grof geld te betalen voor immense schilderijen, terwijl mijn moeder in de Havenloods de aanbiedingen aanstreepte, om zo de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Onder de plank stond een groen verroest fietsenrek, met daarin fietsen, halve fietsen en losse wielen en banden. Mijn vader kon van drie halve wel een hele fiets maken, dat wel. Meer voorin stonden en hingen de spullen die regelmatiger gebruikt werden, zoals een hele grote onhandige groene tuinslag, de fietspomp, een enorme voorraad min of meer verroest gereedschap en later de brommer van mijn broer die er altijd met veel verbaal geweld voor zorgde dat er genoeg ruimte voor hem overbleef. Soms was de garage zo vol dat je er verder maar twee of drie stappen kon zetten. Dan kwam mijn oom die goochelen kon, broer van mijn vader, en die ruimde de garage in één middag op. Ik mocht hem helpen bij het sjouwen en ontdekte dat het leuk was om op te ruimen omdat ik nog allerlei troep tegenkwam die ik nog nooit gezien had. Maar mijn oom zette alles bij de vuilnisbak wat wij jarenlang bewaard hadden en zo vulden hij en mijn vader elkaar aan als de twee helften van een cirkel. Het voelde als een grote schoonmaak en mijn oom verstond de kunst om je onder alle omstandigheden een vrolijk gevoel te geven. Ik verheugde mij al bij voorbaat op het eind van de middag wanneer we klaar waren en binnen gingen theedrinken, waarbij mijn oom guldens door de tafel sloeg en ze vanachter onze oren weer tevoorschijn toverde: comme si comme sa, simsalabim!
Toch bracht mijn vader steeds weer iets bijzonders mee, zoals de gele zeilkano. Toen het lange gevaarte bij ons werd afgeleverd, vroeg ik mij af of het wel echt voor ons was, ik kon het me bijna niet voorstellen. Zo groot, zo mooi, zo knalgeel. Ik was er trots op dat mijn vader zoiets had gekocht, maar de kano lag jaren lang alleen maar naast het huis op het garagepad. Hij was te zwaar om mee te kanoën en te smal en te wankel om echt goed mee te zeilen. Mijn vader en mijn broer gingen er op een zaterdag echt mee zeilen. Dat was nog een heel gedoe want het zeil moest opgetuigd worden en beiden hadden zoiets nog nooit gedaan. Het was wel een komisch gezicht: mijn dikke vader en mijn magere, lange broer die samen het zeil probeerden te ontrollen en de kano daarbij in evenwicht moesten houden. Uiteindelijk wisten ze er mee weg te komen, maar de pret duurde niet lang. Ze sloegen na een uurtje zeilen midden op de plas om en kwamen terug als na een mislukt avontuur van Laurel en Hardy: kletsnat, totaal verfomfaaid en voortdurend kibbelend. Mijn vader hield het toen maar voor gezien. Hij zeilde er nooit meer mee. Zo lag de kano jarenlang naast ons huis weg te rotten, alsof hij besmet werd door het verval van de garage. Het geel bubbelde steeds meer en maakte plaats voor mooie, zachte, bruine vlekken, waar je op den duur met je vinger gemakkelijk doorheen kon prikken. Het zeil en de grote, onverwoestbare peddels lagen in de garage alleen nog maar in de weg. Het mocht allemaal niet worden opgeruimd, tot toenemende ergernis van mijn moeder, die er belang aan hechtte dat het er in en om het huis een beetje knap uitzag. En wat begon als teken dat het met ons zo goed ging werd tot een symbool van teloorgang en verval. Wat had het voor zin om elke zaterdag keurig het grind te harken als er zo'n monsterlijk rottende zeilkano op de oprit lag? En wie heeft er in godsnaam een zeilkano? Het voelde als een kans die we hadden laten liggen, net als de kromgetrokken tennisrackets op zolder.  
 
Omdat het inkomen van mijn vader geen gelijke tred hield met de toenemende kosten van opgroeiende kinderen kocht mijn vader een Eend. Een heerlijke auto, waar mijn vader met hoed op in kon zitten. We gingen er mee naar de kerk natuurlijk, maar ook naar Oostvoorne, waar je met de auto het strand op mocht. Na jaren plezier werd ook het rijden in de Eend te duur. Mijn vader kocht een brommer en reed nu met een knalgele helm op naar de slijter en de kerk. Ondertussen stond de grijze Eend rustig op de oprit weg te roesten. Het was inmiddels een hele oude Eend geworden, maar hij mocht niet weg van mijn vader. Ik ging er vaak in zitten om te doen alsof ik aan het autorijden was. Ik zette dan de versnelling in z'n twee, trok hard aan de startknop en liet de koppeling opkomen. Al schokkend reed de Eend dan op de startmotor een paar meter vooruit. Het leukste was om door te rijden tot daar waar het garagepad licht omlaag liep. Dan liet ik hem uitlopen, langs de zeilkano, hij kon er maar net langs, tot vlak voor de garagedeuren. Dan zette ik de versnelling in z'n achteruit en hobbelde ik weer terug. Zo ging het heen en weer, totdat mijn vader of moeder naar buiten kwam en de rijles abrupt afgebroken werd. Mijn moeder wist wel goed van de nood een deugd te maken. Als de Eend van zijn plek was moest ik het onder de auto opgeschoten onkruid weghalen. Daarna mocht ik hem pas weer terugzetten. Op den duur deed de startmotor het natuurlijk ook niet meer, omdat de accu leeg was. We moesten hem dan aanduwen, totdat de motor weer liep en mijn vader er clandestien een rondje mee reed, want verzekering en belasting werden er al lang niet meer voor betaald, maar hij moest het wel doen, vond hij. Hoe anders ging het een paar jaar daarvoor, toen hij nog een Renault Dauphine had en mijn vader door de garage werd opgehaald en thuisgebracht wanneer de auto een grote beurt moest hebben. Dat was nog in de tijd dat mijn moeder wekelijks naar kruidenier Veenstra belde met haar lijstje boodschappen, die dan keurig aan huis werden bezorgd. Inmiddels deden we onze boodschappen bij Stoute op de Kleiweg, een kleine, goedkope kruidenier, waar veel zaken als rijst, bonen en suiker nog los verkocht werden in bruine papieren zakken.  
 
Het rare is dat ik dat verval eigenlijk heel goed begreep. In het verval voelde ik me op m'n gemak. Het voelde echt. Als mijn moeder voor de visite de mooiste kopjes klaarzette op een keurig dienblaadje, dan kon ik daar ook van genieten, maar ik voelde het als verraad, als schone schijn en daar had ik een behoorlijke hekel aan. Wanneer de keuken gedweild werd maakte ik me altijd uit de voeten. Ik hield er niet van om alles blinkend schoon te zien. Wanneer de keuken in gebruik was, was hij altijd op een prettige manier rommelig en levendig. De rust en de schoonheid van witbrood met een eitje op zondag had een grote aantrekkingskracht, maar de bruine boterhammen met komijnekaas of boterhamworst, dat was de werkelijkheid van elke dag, waarin ik mij meer thuis voelde.  
 
Op zaterdag, terwijl mijn zusje de keuken moest dweilen en mijn broer de boodschappen deed, ging ik vaak naar de jachtwerf van Piet Voet aan de Bergse Plassen. Hier scharrelde ik rond, dwalend tussen de boten die op stellingen op de kant stonden en waar het rook naar teer en verf. Ik zat vaak in het smoezelige kantoortje van de havenmeester, waar de mannen koffie dronken en over van alles en nog wat zaten te kletsen. Het was er altijd rommelig en gezellig en er hing een onbekommerde sfeer van mannen die op hun vrije dag aan hun bootje klussen of gewoon helemaal niets te doen hebben. De kopjes zonder oor stonden vuil op het aanrecht en werden pas afgewassen als ze nodig waren. Af en toe kwam de vrouw van de havenmeester de boel opruimen, maar dan viel het gesprek al gauw stil. Ze werd beschouwd als een indringster in haar eigen domein en werd maar nauwelijks geduld. Soms mocht ik met iemand meevaren, maar dat vond ik meestal saai en het ging mij snel vervelen. Een beetje rondhangen en een praatje maken of gewoon maar staan kijken, dat was meer iets voor mij. Dan kon ik alles net zo lang laten duren als ik zelf wilde.
Ate Vegter

 
 
 
 
* * * * * * *  
 
Terug naar Vegtersfamilie